Modellen/databases

Database regionale innovatie
Ruimtelijk-economisch prognosemodel: AREA
Interregionale input-output tabellen
Benchmarkmodel

Terug naar boven

Bureau Louter heeft door het koppelen van gegevensbestanden bij het CBS een unieke database opgesteld met regionale gegevens uit de CIS-enquête. Hieraan is informatie te ontlenen over de researchintensiteit, technologische en niet-technologische innovaties en het aandeel van de omzet uit nieuwe producten en diensten. De database is toegepast in de Pieken in de Delta monitor, in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en in een hoofdstuk over kennis en innovatie in de Economische Verkenning Rotterdam 2008.

Terug naar boven
Eén van de activiteiten van Bureau Louter is het ontwikkelen van prognosemodellen voor ruimtelijk-economische ontwikkeling. Dat gebeurt in opdracht. Daarnaast heeft Bureau Louter in eigen beheer een prognosemodel ontwikkeld: het AREA-model. AREA staat voor Analysemodel Ruimtelijke Economie en Arbeidsmarkten. De kern van het AREA-model wordt gevormd door een arbeidsmarktmodel waarin vraag en aanbod op de arbeidsmarkt worden bepaald. Daaraan gekoppeld zijn submodellen waarin de vraag naar bedrijventerreinen en de vraag naar kantoorruimte wordt bepaald. Daarnaast wordt de ontwikkeling van de Bruto Toegevoegde Waarde berekend. Het punt waarop het AREA-model zich onderscheidt van andere ruimtelijk-economische prognosemodellen is het gedetailleerde ruimtelijk schaalniveau (gemeenten) waarop een breed scala aan indicatoren vooruit kan worden berekend, namelijk:

In het AREA-model kunnen macro-economische scenario’s (bijvoorbeeld van het Centraal Planbureau) als input dienen en wordt de invloed van vestigingsplaatscondities doorgerekend (met een tussen economische sectoren verschillende invloed).
Uiteraard neemt de robuustheid van de uitkomsten af naarmate een fijnmaziger ruimtelijke en/of sectorale indeling wordt gehanteerd. Daar wordt in het advieswerk van Bureau Louter terdege rekening mee gehouden. Desalniettemin biedt het fijnmazige niveau waarop uitkomsten beschikbaar zijn een goede basis om tot uitspraken te komen op een niveau dat voldoende robuust is. Voorbeelden zijn [1] de vraag naar bedrijventerreinen in een middelgrote stad, gegeven de huidige verdeling van de bedrijvigheid over economische sectoren; [2] het bepalen van de te verwachten ontwikkeling van de bedrijvigheid naar type, zoals brede economische sectoren of opleidingsniveau, voor groepen gemeenten (bijvoorbeeld de grote steden of landelijke gebieden in het Noorden).
Inmiddels is het AREA-model ingezet in een aantal onderzoeken, namelijk voor de gemeenten Delft, Hoogeveen en Emmen en voor de Provincie Zuid-Holland en vormt het de basis voor een prognosemodel voor de kantorenmarkt in onderzoek in opdracht van de Rijksgebouwendienst.

Terug naar boven
Enige jaren geleden zijn in een samenwerkingsproject tussen de Rijksuniversiteit Groningen en het CBS ‘bi-regionale input-output tabellen’ opgesteld. Aan de hand daarvan kunnen bedrijfsrelaties in de zin van inputs en outputs van productieprocessen tussen een provincie en de rest van Nederland worden bepaald.
In samenwerking met Gerard Eding heeft Bureau Louter deze methodiek verder ontwikkeld. Er zijn interregionale tabellen opgesteld die, met een mogelijk onderscheid naar 38 economische sectoren, de relaties tussen alle individuele provincies blootleggen. De interregionale input-output tabellen zijn toegepast in onderzoek in het kader van de Havenvisie. Zie het onderzoek
Havens met uitstraling?
In onderstaande figuur is een voorbeeld van de werking van de interregionale input-output tabellen weergegeven. Daarbij is het effect op de werkgelegenheid bepaald van een toename van de productie in de sector machine-industrie respectievelijk chemie met 100 miljoen Euro in Gelderland. De werkgelegenheidseffecten zijn daarbij onderscheiden naar een aantal brede economische sectoren.

Terug naar boven

In het Benchmarkmodel worden gemeentelijke verschillen in het aantal arbeidsplaatsen per inwoner tussen 15 en 65 jaar (de ‘werkgelegenheidsfunctie’) verklaard op basis van locatiefactoren (factoren die ruimtelijk differentiëren en het bedrijfseconomisch functioneren en/of de vestigingsplaatskeuze van bedrijven of instellingen beïnvloeden). In totaal zijn zestien typen economische activiteiten onderscheiden. In onderstaande tabel is aangegeven welke locatiefactoren zijn opgenomen in het model en wat zij meten.
Geselecteerde locatiefactoren in het Benchmarkmodel
Locatiefactor
Toelichting
Opleidingsniveau (omgeving)Een score voor het gemiddeld opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Aangezien voor een bedrijf ook inwoners in omliggende gemeenten mogelijke arbeidskrachten zijn, wordt het opleidingsniveau in die omliggende gemeenten ook meegenomen bij het bepalen van de score (waarbij de invloed afneemt met de afstand)
Nationale potentiaalEen maat voor het behalen van zogenaamde ‘agglomeratievoordelen’. Een grote dichtheid aan bevolking en bedrijven wordt geacht gunstig te zijn voor het vestigen van bedrijven of instellingen. In Nederland worden hierbij de hoogste scores behaald in het westelijk deel van de Randstad.
Nationale liggingEen nationaal centrale ligging is gunstig voor bedrijven die een nationale markt willen bedienen. Voor deze indicator kent Utrecht de hoogste score.
Centrumfunctie (stadsgewest)De mate waarin binnen een gemeente vergeleken met andere gemeenten in het stadsgewest sprake is van een sterke ruimtelijke concentratie van bedrijven en bevolking.
Centrumfunctie (landelijk)Een zelfde type indicator als ‘centrumfunctie (stadsgewest)’, maar dan voor gemeenten die buiten een stadsgewest liggen.
Intensiteit RuimtegebruikDe dichtheid van woningen en bedrijven in een gebied. Voor bedrijven die veel ruimte per arbeidsplaats nodig hebben kan gebrek aan ruimte leiden tot het verlaten van gemeenten (of zelfs regio’s) met een hoge intensiteit ruimtegebruik.
Ligging wegennetEen indicator voor de ligging aan het wegennet van een gemeente vergeleken met omliggende gemeenten in de omgeving.
Europese liggingDe relatieve ligging ten opzichte van Europese economische zwaartepunten.
HavenfunctieDe aanwezigheid van een zeehaven kan dienen als locatiefactor voor transport en distributie en bepaalde typen industrie waarvoor ligging aan diep vaarwater een voorwaarde is voor het bedrijfsfunctioneren.
Bij het uiteindelijk opgestelde model zijn locatiefactoren slechts meegenomen indien ze op theoretische gronden van invloed zouden kunnen zijn en indien ze op empirische gronden statistisch significant zijn.

Aan de hand van het Benchmarkmodel kan het aantal arbeidsplaatsen worden berekend dat op grond van de scores op de locatiefactoren verwacht mag worden voor een gemeente (voor elke van de zestien typen economische activiteiten). Door te vergelijken met het feitelijk aantal arbeidsplaatsen kan vervolgens worden nagegaan of een gemeente beter of slechter presteert dan op basis van de locatiefactoren verwacht mocht worden.